De geschiedenis van Vaseline begon in 1859 toen een 22-jarige scheikundige uit Brooklyn, New York, Robert A. Chesebrough, naar Pennsylvania reisde om een oliebron te onderzoeken. De olie-industrie stond nog in de kinderschoenen en Chesebrough hoopte, zoals zovelen, er van te kunnen profiteren.
Bij de bron aangekomen ontdekte Chesebrough een kleverige substantie, genaamd ‘Rod Wax’, die de medewerkers van de boorplatformen problemen opleverde omdat zij bleef plakken aan de booruitrusting waardoor deze steeds vastliep.
Chesebrough merkte op dat de oliearbeiders hun huid insmeerden met de resten die aan hun boren zaten, omdat dat leek te helpen bij het herstel van snij- en brandwonden. Uit nieuwsgierigheid nam hij wat ‘Rod Wax’ mee naar huis en begon ermee te experimenteren. Na maanden van testen slaagde hij er in bruikbare Petroleum Jelly te winnen uit de wax.
Tegen 1870 bracht Chesebrough zijn Petroleum Jelly product op de markt onder de naam Vaseline, en de toenemende bekendheid van het product leidde ertoe dat binnen tien jaar bijna elk huishouden in Amerika een potje Vaseline bezat.
Chesebrough breidde zijn bedrijf uit naar Canada, het Verenigd Koninkrijk en naar de Britse kolonies over de hele wereld. Moeders met pasgeboren baby’s gebruikten het product als absorberend laagje tegen luieruitslag. Mensen die in extreem koud weer moesten werken gebruikten het om hun droge gebarsten huid te verzachten. Zelfs Commander Robert Peary had Vaseline bij zich toen hij als eerste man de Noordpool bereikte omdat het product niet bevriest.
Aan het einde van de jaren ’80 van de negentiende eeuw verkocht Chesebrough Vaseline Petroleum Jelly in heel Noord-Amerika met een snelheid van één potje per minuut en hadden de meeste artsen Vaseline Petroleum Jelly erkend als de standaardremedie voor huidklachten.
Rond 1911 opende het bedrijf fabrieken in Europa, Canada en Afrika om de vervaardiging en distributie van het product te vergemakkelijken.